Nieuw ondersteuningsplan voor het SWV VO Twente Oost: een tipje van de sluier

Ondersteuningsplan

Het ondersteuningsplan 2026-2030 komt eraan! In dit plan beschrijft het Samenwerkingsverband VO Twente Oost haar strategisch beleid voor de komende jaren. Het laat zien waar we als Samenwerkingsverband voor staan en waar we naartoe werken, samen met onze partners in onderwijs en jeugdhulp. We bouwen met het plan voort op wat de afgelopen jaren is ontwikkeld en geleerd. Onze focus: een duurzame samenwerking tussen scholen, besturen, gemeenten, zorgpartners, ouders en leerlingen.

De precieze inhoud wordt officieel pas later gepubliceerd, maar we legden Marc van Rooden, directeur-bestuurder van ons Samenwerkingsverband (SWV), nu al de volgende 9 vragen voor over dit nieuwe ondersteuningsplan.

1. Wat is het grote verschil tussen het huidige en het nieuwe plan?

Marc: ‘Het ondersteuningsplan 2026-2030 markeert de volgende fase in de ontwikkeling van passend naar inclusiever onderwijs. We zien deze beweging als een doorlopend ontwikkelproces en benaderen inclusiever onderwijs vanuit het principe dat normaliseren begint in de context van school en klas. Inclusiever onderwijs vraagt bovendien om een goed toegeruste ondersteuningsstructuur en voldoende handelingsbekwaamheid van teams. In deze planperiode geven we gezamenlijk betekenis aan het begrip inclusiever onderwijs, onderzoeken we wat werkt en stimuleren we nieuwe ontwikkelingen. Die formuleren we zo realistisch en concreet mogelijk. Verder zien we de samenwerking met ouders, gemeenten en jeugdhulporganisaties als een voorwaarde om tot duurzame oplossingen te komen. Inclusiever onderwijs is echt een gezamenlijke opdracht.’

2. Wat was een belangrijk leerpunt uit de afgelopen planperiode?

‘In de drukte van regels, overleggen en procedures kan de leerling soms uit beeld raken. Het SWV wil daarom niet alleen het perspectief van de leerling vooropzetten, maar nadrukkelijk kijken naar de leerling in zijn context. Wat helpt deze leerling verder: in deze klas, op deze school, in deze thuissituatie? En wat vraagt dat van de school, van de ondersteuning en van de samenwerking met het gezin? Marc: ‘Een contextrijke benadering betekent dat leraren niet alleen kijken naar het zichtbare gedrag van een leerling, maar ook naar de relatie tussen gedrag en de omgeving. Wat gebeurt er in de groep? Welke interacties spelen een rol?’

3. Hoe ziet de volgende fase eruit?

‘Hierin staan vijf inhoudelijke lijnen centraal. Die vormen geen nieuwe agenda, maar geven richting aan het versterken van wat er al in gang is gezet. De nadruk komt te liggen op het versterken van de samenhang tussen deze initiatieven en het borgen van good practices. Vanuit de gezamenlijke ambitie om voor elke leerling een passende plek te bieden, zo dichtbij mogelijk, werken we stap voor stap verder aan een stevige basis voor de toekomst.

  • Thema 1: dekkend netwerk en thuisnabij onderwijs
  • Thema 2: van individueel naar groepsgericht
  • Thema 3: samenwerken over institutionele grenzen heen
  • Thema 4: op en over de grens tussen onderwijs en zorg
  • Thema 5: rol van ouders

Om vorm en inhoud aan deze thema’s te kunnen geven is het van belang dat de basis op orde is. Alle scholen binnen het SWV zorgen ervoor dat ze bij de start van dit ondersteuningsplan aan de afgesproken basisondersteuning voldoen. Scholen kunnen het SWV-bureau inschakelen voor een onafhankelijke blik, het meedenken over complexe vraagstukken en het verbinden van hulpvragen tussen scholen. Het bureau stimuleert de onderlinge samenwerking.’

4. Hoe gaan we straks om met leerlingen die meer ondersteuning nodig hebben dan het reguliere onderwijs kan bieden?

‘Leerlingen die langdurig en structureel specialistische onderwijsondersteuning nodig hebben kunnen een toelaatbaarheidsverklaring voor gespecialiseerd onderwijs (vso) ontvangen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de plaatsing in het vso in principe tijdelijk van aard is. In samenspraak met ouders en eventueel betrokken hulpverlening wordt bij een plaatsing verkend welke ondersteuning nodig is en wat op dat moment het perspectief van de leerling kan zijn.’

5. Thuiszitters zijn een hot topic. Wat zegt het nieuwe ondersteuningsplan daarover?

‘Schoolaanwezigheid maakt deel uit van de basisondersteuning. Dat betekent dat alle scholen een schoolaanwezigheidsteam (SAT) inrichten. Hun taak: het zo vroeg mogelijk signaleren van leerlingen met verhoogde kwetsbaarheid, waarmee langdurig verzuim wordt voorkomen. Nou kunnen niet alle leerlingen altijd elke dag fysiek aanwezig zijn, bijvoorbeeld vanwege hun gezondheid of belastbaarheid. Maar thuiszitten zonder onderwijs heeft ingrijpende gevolgen voor zowel leerlingen als hun families. Digitaal afstandsonderwijs kan daarbij helpen. En zodra de gezondheidssituatie en belastbaarheid het toelaten, werken we stapsgewijs toe aan de opbouw van fysieke schoolgang en terugkeer naar het onderwijs.’

6. Een ander aandachtspunt is doorlopende leerlijnen. Hoe kijkt het SWV hiertegenaan?

‘In 2030 is samenwerking over de grenzen van organisaties heen een vanzelfsprekend onderdeel van hoe we het onderwijs in onze regio vormgeven. Scholen en het samenwerkingsverband dragen sámen verantwoordelijkheid voor álle leerlingen, niet alleen voor de leerlingen binnen de eigen muren. Scholen werken niet los van elkaar, maar als onderdeel van één regionale gemeenschap waarin kennis, expertise en verantwoordelijkheid worden gedeeld. Leerlingen profiteren daardoor van soepele overgangen, professionals van collegiale steun en ouders van duidelijkheid en vertrouwen.

Een soepele en kansrijke onderwijsloopbaan vraagt ook om samenwerking over de grenzen van sectoren heen. In de komende planperiode versterken we de beweging naar doorlopende leerlijnen tussen po–vo–mbo.

De kern van deze beweging is dat scholen, besturen, gemeenten en ketenpartners elkaar tijdig vinden en vanuit één gedeelde visie samenwerken aan warme en voorspelbare overgangen. Dat vraagt om een sterk regionaal netwerk waarin professionals elkaar kennen, informatie transparant delen en gezamenlijk besluiten wat een leerling nodig heeft om de volgende stap te maken.’

7. Wat zegt het nieuwe ondersteuningsplan over de samenwerking tussen onderwijs en zorg?

‘Een goed functionerend samenwerkingsverband stopt niet bij de grenzen van het onderwijs. Veel leerlingen hebben ondersteuning nodig die raakt aan zowel leren als jeugdzorg of welzijn. In 2030 willen we dat onderwijs en zorg structureel samenwerken rondom de leerling, vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid voor ontwikkeling, participatie en toekomstperspectief. Wanneer er zorgen ontstaan, weten professionals elkaar snel te vinden. Zij spreken dezelfde taal, hanteren een gezamenlijke werkwijze en houden het perspectief van de leerling voor ogen. Op schoolniveau wordt samengewerkt in multidisciplinaire teams, waarin onderwijs- en zorgprofessionals casuïstiek bespreken, prioriteiten afstemmen en samen bepalen wie de regie voert. Ook de samenwerking met gemeenten en jeugdhulp is een essentieel onderdeel van de ondersteuning aan leerlingen.’

8. Wat is de rol van ouders op weg naar inclusiever onderwijs?

‘Een sterke samenwerking tussen school en ouders is een belangrijke voorwaarde voor inclusiever onderwijs. In 2030 willen we dat ouders zich volwaardige partners voelen in het onderwijsproces. Dat betekent dat scholen en ouders elkaar tijdig betrekken, open communiceren en samen verantwoordelijkheid nemen voor de ontwikkeling en het welzijn van leerlingen. In de praktijk betekent dit dat scholen een vaste structuur hebben voor communicatie met ouders en leerlingen. Die maakt duidelijk wie het aanspreekpunt is, welke stappen worden gezet als er zorgen ontstaan en hoe besluiten gezamenlijk tot stand komen. Verwachtingen worden vroegtijdig en expliciet besproken, zodat alle partijen weten wat ze van elkaar mogen verwachten.

Het onderwijs ziet ouders en leerlingen bovendien niet alleen als gesprekspartner bij problemen, maar ook als bron van kennis en perspectief. Hun ervaringen leveren waardevolle informatie op over wat goed werkt in de praktijk en waar verbetering mogelijk is.’

9. Tot slot: wat als ouders en leerlingen persoonlijk betrokken willen zijn bij de totstandkoming van inclusiever onderwijs?

‘Omdat inclusiever onderwijs zo’n grote rol speelt in het leven van jongeren, kunnen ouders en leerlingen meepraten over het beleid van ons SWV. Daarvoor is er de Ondersteuningsplanraad (OPR); dat is het medezeggenschapsorgaan van het SWV. De OPR bestaat uit een deel ouders/leerlingen en een deel onderwijspersoneel. De OPR praat mee over verschillende zaken binnen ons SWV, maar haar kerntaak is betrokken zijn bij de totstandkoming van het ondersteuningsplan en de voortgang ervan monitoren.’