In gesprek met Manon Ketz – over inclusiviteit, richting geven en humor in het onderwijs

Manon Ketz

Sinds dit schooljaar vervult Manon Ketz de rol van vicevoorzitter van het toezichthoudend bestuur binnen ons Samenwerkingsverband. Met zes jaar ervaring als bestuurder van Het Stedelijk en haar achtergrond als docent, leidinggevende en eindverantwoordelijke in diverse onderwijsniveaus, brengt ze een brede kijk op het onderwijs met zich mee. Zelf zegt ze daarover: ‘Ik vind het mooi als ik vanuit zowel de kennis die ik heb opgedaan als mijn passie voor het onderwijs over de praktijk van het onderwijs mag praten. Bijvoorbeeld tijdens een inspiratiesessie, het geven van een gastles aan leerlingen of een bestuursoverleg. Met als belangrijkste aandachtspunten: wat levert het de leerling op of wat heeft de docent nodig om zijn werk zo goed mogelijk te doen?‘

Bestuurlijke uitdagingen op Het Stedelijk

‘Duurzaamheid en huisvesting zijn twee belangrijke onderwerpen op dit moment. Iets anders dat veel aandacht vraagt is de opvang van ISK-leerlingen. Er zijn elk jaar wel een paar honderd nieuwkomers, maar dit schooljaar loopt dat aantal richting de 500. Dat is echt heel veel. Helemaal omdat deze leerlingen steeds vaker reguliere havo- of vwo-scholieren worden en we hen daarom, in het kader van kansengelijkheid, meer uren les geven dan de verplichte 12 uur per week. Dat bevalt goed, ondanks dat dit in de huidige krappe arbeidsmarkt een behoorlijke uitdaging is. Het zijn stuk voor stuk gemotiveerde leerlingen die maar wat graag naar school gaan.

Daarnaast vind ik de ontwikkeling naar inclusiever onderwijs reuze interessant. Wat verstaan we daaronder en wat moet er gebeuren om het te realiseren? Dat hoef ik gelukkig niet in mijn eentje uit te vinden, maar als organisatie wil je daar wel richting aan geven. Ik denk dat tienercollege Florès al een mooi voorbeeld is. Daar hoeven leerlingen pas op hun 14e een keus te maken voor vmbo, havo of vwo. Tot die tijd zitten ze allemaal bij elkaar in de klas.’

Focus op kansengelijkheid

‘We maken binnen Het Stedelijk sowieso veel werk van kansengelijkheid. Vorig jaar besloten we de effectiviteit daarvan te meten via evaluaties en aan de hand van data. Wat blijkt: we hebben verhoudingsgewijs een laag percentage verwijzingen naar het VSO, dus onze inspanningen hebben zin gehad. Tegelijkertijd is het niet genoeg, want inclusiever onderwijs gaat over alle leerlingen en voor ondersteuning mogen ze eigenlijk de klas niet uit. Daarover zijn we nu in gesprek met teamleiders en docenten. Wat al wel mooi is, is dat leerlingen van het Panta Rhei College na de onderbouw doorstromen naar het reguliere Kottenpark College en daar in de derde klas gezwaluwstaart worden met leerlingen van het Kottenpark. Verder houden we nauwlettend in de gaten of we leerlingen die verwezen zijn naar het VSO op een later moment kunnen terughalen naar het reguliere VO.’

Samenwerken is nodig op weg naar meer inclusiviteit in de school

‘We moeten ons realiseren dat inclusiever onderwijs alleen haalbaar is als we het samen oppakken’, concludeert Manon. ‘Daar hebben we het Samenwerkingsverband bij nodig, net als Attendiz, het basisonderwijs en de andere VO-scholen. In december bespreekt het toezichthoudend bestuur met de directeur-bestuurder de beweging naar inclusiever onderwijs binnen het Samenwerkingsverband. “Inclusiever” betekent volgens Bert Wienen, initiatiefnemer van het Instituut voor Inclusief Onderwijs en auteur van het boek Van individueel naar inclusief onderwijs, dat de onderwijsbehoefte van alle leerlingen in iedere klas wordt gediend. Zijn boek is door het Samenwerkingsverband uitgedeeld als inspiratiebron om volgende stappen te zetten; zowel als (toezichthoudende) bestuurders als op alle aangesloten scholen. Ik hou ervan dergelijke uitdagende opdrachten te concretiseren. Pas dan kun je afspraken maken die ons op de rails houden als het financieel spannend wordt. Ik hoop op die manier te kunnen bijdragen aan deze maatschappelijke opgave.‘

Over humor en hoofdlijnen

‘We hebben hier in huis een gevleugelde uitspraak: humor kan je redden. Dat gaat zeker op bij complexe vraagstukken, want het helpt als je heel analytisch bent, maar humor en een sfeer van ontspanning dragen ook in hoge mate bij aan het vinden van oplossingen. Zeker als iets razend ongemakkelijk aanvoelt en enorm abstract is. Ik vind het bijvoorbeeld leuk om in een bestuursvergadering, waarin het abstractieniveau erg hoog is, te vragen of de afkortingenbingo al is begonnen − uiteraard met een grote glimlach, want ik gebruik ze zelf ook.’

Verder denk ik dat het besturen van complexe vraagstukken alleen lukt als je bereid bent je tot de hoofdlijnen te beperken, simpelweg omdat anderen beter zijn in wat er nodig is in de klas. Deze schoenmaker blijft dus het liefst bij haar leest, máár is pas tevreden als haar werk ook positief effect heeft op leerlingen, docenten en ondersteuners. Dus mijn afspraken gaan over euro’s, aantallen of getallen, maar wat mij drijft, is wat anderen daardoor kunnen bereiken voor de leerling.’

Van individuele verantwoordelijkheid naar collectieve actie

Sommigen zeggen: Is de opgave voor de docent niet te groot? ‘Ik begrijp die vraag heel goed, maar in deze tijd is het niet genoeg dat je als docent vakinhoudelijk stevig in je schoenen staat. Zowel de docent als ook alle andere onderwijsprofessionals moeten allemaal bereid zijn om het gedrag van de leerling te begrijpen en te begrenzen. Daarnaast moedig ik mensen aan met een vrije blik naar inclusiever onderwijs te kijken en zich vervolgens af te vragen: Wat is mijn eerste stap? Het is te gemakkelijk om naar een ander te wijzen en een afwachtende houding aan te nemen. Dat geldt ook voor mij. Hoe kan ik vervolgstappen verwachten van mijn collega’s als ik ze zelf niet zet? Mede daarom heb ik de functie van vicevoorzitter geaccepteerd. We moeten aan de slag en niet te bang zijn en dus stel ik vragen als me iets opvalt en draai er niet omheen. Zo heb ik het altijd gedaan. En als iemand ideeën heeft over wat ik kan doen of laten, laat het me dan vooral weten.’