Raymond Nijenhuis (TCC Potskampstraat) over betekenisvol, contextrijk onderwijs

TCC Potskampstraat

Aan de Potskampstraat in Oldenzaal doorlopen ruim 900 leerlingen van het Twents Carmel College de bovenbouw van het vmbo. Zij leren vooral door te doen. Volgens directeur Raymond Nijenhuis is dat niet alleen de kracht van het vmbo, maar met name van deze schoollocatie. ‘Wij geloven sterk in betekenisvol en contextrijk onderwijs: weten waarom je iets leert, maakt alle verschil. Op deze locatie kunnen leerlingen kiezen uit techniek, zorg, economie, mobiliteit, groen en horeca. Die enorme keuze, daar ben ik erg trots op en moeten we koesteren. Hier leren ze voor het leven na school.’

Een directeur met een vmbo-hart

Raymond begon ooit in de horeca, maar switchte naar het onderwijs. Die stap bracht hem vele jaren later naar Oldenzaal, waar hij directeur werd van Twents Carmel College locatie Potskampstraat én locatie Praktijkonderwijs. De reden? ‘Voor deze leerlingen heb ik een groot hart. Ik vind dat hen soms onvoldoende recht wordt gedaan en voel een sterke behoefte om iets voor ze te betekenen. Ik zou ook nergens anders kunnen werken dan binnen dit domein. Zij vormen de rode draad in mijn onderwijscarrière.’

Samenwerking tussen vmbo en pro

Directeur zijn van twee schoollocaties klinkt als een intensieve baan, maar de scholen kennen veel overeenkomsten. Ze geven hun onderwijs namelijk op dezelfde manier vorm: betekenisvol, praktijk-rijk en waar mogelijk buitenschools, met oog voor de individuele leerling. Dat biedt bovendien ruimte voor kruisbestuiving. Raymond: ‘Sommige leerlingen van Pro komen hier om praktijklessen te volgen. En wij kunnen nog wat leren van de sterke pedagogische vaardigheden van de docenten van Pro. Onze samenwerking is dus voor beide scholen waardevol, zeker in het licht van inclusiever onderwijs. ‘

Leren vanuit betekenis

Terug naar de leerlingen aan de Potskampstraat. Want hoe ziet betekenisvol leren eruit? Raymond legt uit: ‘Neem het leren rekenen met wiskundige hoeken en graden. Zit er een leerling Mobiliteit & Transport tegenover je, dan koppelen we die theorie aan de stand van autoverlichting. En bij een leerling Zorg & Welzijn aan de stand van een bed. Op zo’n manier landt abstracte informatie een stuk sneller.’ Vanuit die gedachte betrekt de school ook structureel het bedrijfsleven bij haar onderwijs. ‘We werken met zogenaamde hybride docenten: vakmensen die samen met een docent lesgeven. Zij brengen de praktijk binnen, wij zorgen voor de didactiek. Zo komt het beste van twee werelden bij elkaar.’ Die combinatie van school en het bedrijfsleven heeft nog een voordeel. ‘Er is een verschil tussen wat wij aanleren en hoe het bedrijfsleven werkt, want het bedrijfsleven staat niet stil, maar een examenprogramma daarop aanpassen duurt jaren. Dankzij onze samenwerking maken we dat verschil zo klein mogelijk en weten leerlingen beter wat hen straks te wachten staat.’

“Daar kan geen leslokaal tegenop”

Leren gebeurt daarom ook buiten de school. Alle leerlingen doen één dag per week ervaring op bij bedrijven en instellingen in de regio. Dat is met zoveel leerlingen best een organisatie, maar het lukt, want bedrijven investeren graag in hun toekomstige werknemers. Ook trekken de leerlingen van Zorg & Welzijn regelmatig naar de twee zorgcentra naast de school. Ze lakken nagels, doen bingo of wandelen met bewoners. ‘Daar kan geen leslokaal tegenop,’ weet Raymond. Ook de jaarlijkse bedrijvendagen op school zijn populair. ‘Leerlingen, ouders én buurtbewoners komen kijken. Dan zie je: dit is onderwijs midden in de maatschappij.’

Zonder relatie geen prestatie

Maar met alleen een goed onderwijsaanbod ben je er niet. Eerst moet het pedagogische fundament op orde zijn. Raymond: ‘Het motto van het Twents Carmel College begint dan ook met: We zien je, we kennen je gevolgd door en we helpen je vooruit. Want zonder relatie, geen prestatie. Nieuwe leerlingen starten daarom steevast met twee wenweken waarin ze elkaar, hun docenten en de school leren kennen. Daarnaast stelde de school een gastheer en gastvrouw aan die elke ochtend de leerlingen ontvangen, in de pauzes een praatje maken en al snel zien of iemand lekker in zijn vel zit of niet. Ook als een leerling nog door de gangen rent als de les al is begonnen, schieten ze hem aan. Niet om hem aan te spreken op verkeerd gedrag, maar om te achterhalen wat er speelt en te helpen. En dan zijn er nog de docenten zelf: alert op wat hun leerlingen nodig hebben. Zo staat een collega op vaste ochtenden bij de deur van de school te wachten op een leerling die net ná de bel binnenkomt. Deze leerling vindt het spannend om in de grote massa de school in te lopen. Daarom is afgesproken dat de leerling iets later komt en opgevangen wordt bij de ingang van de school. Zo begint de dag voor iedereen goed. Dat vind ik fantastisch om te zien.

Kortom: we bouwen op verschillende manieren aan een plek waar leerlingen zich gezien voelen. Waar ze zich thuis voelen. En waar ze betekenisvol onderwijs krijgen. Dat gunnen we elke vmbo-leerling.’