Naar school? Graag! Proeftuin schoolaanwezigheid Stedelijk Lyceum

Gezien worden, je prettig voelen in de klas en op school, en gemist worden als je er niet bent. Het maakt dat leerlingen graag naar school gaan en heeft meer effect dan een corrigerende opmerking, een strenge blik of helemaal geen reactie als je absent bent. En zo zijn er nog veel meer preventieve dingen die je kunt doen om te voorkomen dat schoolverzuim de spuigaten uitloopt, weet Rita Vossebeld van het Stedelijk Lyceum. Al gaat dat met kleine stapjes tegelijk. “Go slow to go fast.”
Aanleiding
Volgens Marije Borghuis en Inge Grit is het van belang dat schoolverzuim zo vroeg mogelijk wordt gesignaleerd en is een snelle reactie nodig om problematisch schoolverzuim en potentiële negatieve effecten van het schoolverzuim zoveel mogelijk te voorkomen. ‘Heel eerlijk: op het Stedelijk hadden we best veel verzuim en dat percentage was lastig naar beneden te krijgen’, bekent Rita Vossebeld. ‘Natuurlijk volgden we de gewone verzuimregels, maar die zijn vooral curatief. En natuurlijk gebeuren er ook echt veel goede preventieve dingen in de school, maar dat ging nog te veel te hooi en te gras. Dus toen de kans kwam om verzuimdeskundigheid van buitenaf de school in te brengen, hebben we die gegrepen. Nu draaien we met een aantal basisscholen, voortgezetonderwijsscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs mee in de Proeftuin Schoolaanwezigheid. Wij zijn samen met het Erasmus VMBO vorig schooljaar als eerste gestart met de implementatie van de Proeftuin in de school.’
Response to Intervention
Marije Borghuis zette de pilot op de kaart. In die pilot wordt gebruik gemaakt van Response to Intervention (RtI). Dat model kent drie interventieniveaus, waaronder universele interventies om schoolverzuim te voorkomen en schoolaanwezigheid te promoten (Tier 1), gerichte interventies voor jongeren die risico lopen op problematisch schoolverzuim (Tier 2) en intensieve interventies voor jongeren met problematisch schoolverzuim (Tier 3).
Meten is weten
Rita: ‘We stelden een werkgroep samen en verschoven onze focus van verzuimbeleid naar aanwezigheidsbegeleiding. Dit thema heeft raakvlakken met het mentoraat, met gesprekken met leerlingen en ouders, met een goede registratie van de aanwezigheid, en met eigenaarschap bij leerlingen. Van de conciërge tot en met de directeur, je moet het allemaal belangrijk vinden dat een leerling het prettig heeft op school en leren met welke handelingen je het verschil kunt maken. Bijvoorbeeld door wel een verzuimkaart te hanteren, maar geen onderscheid te maken tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim. En geen discussies meer te voeren of het wel of niet klopt, maar gezamenlijk de zorg dragen voor gemiste lessen. Verder draait het veel om meten is weten. Is de wiskundeles vrijdag op het 9e uur een indicator voor verzuim of denken we dat alleen maar? Wat zien we, hoe moeten we dat interpreteren en wat zouden we moeten doen? Zo willen we daar grip op krijgen.’
Ook geoorloofd verzuim vraagt om actie
‘We hebben in Nederland geen cijfers van de aanwezigheid van leerlingen. Dat aantal is namelijk niet simpel het verzuimaantal aftrekken van het totaal. Geoorloofd verzuim betekent immers ook dat er lessen gemist worden. Iedereen weet dat je voor in de keten moet komen om verzuim tegen te gaan. Met deze nieuwe werkwijze analyseren we eerst wat er aan de hand is en zetten we op leerling-, klas- of schoolniveau acties uit.
Vorig jaar hebben we vooral gekeken of we de verzuimende leerlingen wel allemaal in beeld hadden. We ontdekten toen dat een aantal gevallen ons niet waren opgevallen omdat het verzuim plausibel was. Of dan haalde een leerling toch nog een zeven in de herkansing en gaf de cijferlijst geen signaal af. We hebben inmiddels verschillende preventieve acties ingezet. Zo is de samenwerking met de leerplichtambtenaar bijvoorbeeld veel meer consulterend. Elke maandag heeft zij een preventief spreekuur met onze verzuimcoördinator. Dan komen leerlingen aan de orde die officieel nog niet aangemeld hoeven te worden, maar gaan we toch al kijken wat we kunnen doen.’
Go slow to go fast
‘Ja, ik ben heel enthousiast over de Proeftuin Schoolaanwezigheid. Al is de uitspraak “Go slow to go fast” hier wel van toepassing. Omdat je een hele school moet meenemen is het net een mammoettanker die van richting verandert. Maar: het werkt. Deze ontwikkeling gaat zich echt uitbetalen in een verbeterde aanwezigheid. En als het ons gaat lukken dat leerlingen zelf graag op school willen zijn, dan zijn we een heel eind. Dus ga als docent aan het begin van de les bij de deur staan, zie ze als ze binnenkomen en maak een punt van hun aanwezigheid: “Fijn, Patrick, dat je er weer bent. Hé, we missen Hannah. Wie weet daar iets van?” De leerlingen voelen zich gezien en merken ook dat je gemist wordt als je er niet bent. Dat is zo belangrijk. We betrekken ook de ouders hierbij. Door te bellen als een leerling zonder bericht afwezig is tijdens het eerste uur. Maar ook door in oudernieuwsbrieven eens voor te rekenen dat als hun kind één uur per week spijbelt, hoeveel uur dat dan is per jaar en per vier jaar.’
Interprofessionele samenwerking
‘Wat bij ons heel goed werkt, is dat we ook deelnemen aan de pilot ‘Interprofessioneel samenwerken’. De combinaties van diverse projecten heeft mooi op elkaar aangesloten. Onze missie ‘aanwezigheid van leerlingen’ begon op school, maar onze partners gaan daarin steeds meer mee. Mijn aanbeveling zou dan ook zijn: start zoiets samen met je partners. Door bijvoorbeeld met jongerenwerk samen te werken en door meer beschikbaarheid van de schoolarts en de leerplichtambtenaar op je school te realiseren. Want dat werkt echt super.’