TCC Losser: ‘Ieder kind wil zich normaal voelen en gezien worden. Wij zorgen daarvoor.’

Twents Carmel College Losser

Het Twents Carmel College heeft zes locaties waar in totaal ruim vijfduizend leerlingen onderwijs krijgen. Een van die locaties staat in Losser. Een dorpsschool dus, met zo’n 520 leerlingen uit Losser, Overdinkel, Glanerbrug en Enschede. Locatiedirecteur Ellen Vos: ‘Leerlingen komen hier speciaal naartoe voor de kleinschaligheid en ik snap dat wel, want die biedt veel ruimte voor passend onderwijs.’ We stelden Ellen en ondersteuningscoördinator Chantal Luttikhuis daarom enkele vragen over het hoe, wat en waarom.

Wij willen dat ieder kind zich normaal voelt

Ellen: ‘De grootste kracht van onze school is de goede basis die we hebben neergezet. Eén die erop gericht is dat kinderen zich hier normaal voelen, zich gezien weten en zich thuis voelen. We hebben bijvoorbeeld  kinderen met minder zicht of minder gehoor. We instrueren dan alle collega’s hierover, maar maken er niet een hele show van.’ Chantal haakt daarop aan: ‘We regelen de dingen dus van tevoren. Voor een leerling met dwerggroei staan vóór de eerste schooldag al voetenbankjes in elk klaslokaal waar zij les heeft. Voor een leerling met slecht zicht zijn de schoolborden bij zijn lessen al op voorhand daarop ingesteld. Zo’n leerling heeft dus nooit ‘gedoe’ in de klas. Wij vinden dat heel belangrijk en je ziet dat terug in de interactie tussen leerlingen. Die zien geen onderscheid tussen de gemiddelde en de meer bijzondere leerlingen.’

Een zelfontwikkeld BBL-concept

Ellen vervolgt: ‘Verder hebben onze collega’s een concept ontwikkeld voor de BBL’ers die bij ons het eerste en tweede leerjaar volgen. BBL heeft een eigen thuislokaal waar de baardagamen staan die ze verzorgen plus eigenlijk alle spullen die ze nodig hebben op school. De BBL’ers hebben minder docenten voor de klas en hebben werktijd onder begeleiding zodat de leerkracht het proces van de leerling goed kan volgen.’ Chantal voegt daaraan toe: ‘Ze werken met een weekplanner waarop alle vakken staan. Ze mogen die verwerkingstijd zelf invullen terwijl hun docent rondloopt en vragen beantwoordt. Aan het eind van de week wordt het werk afgetekend. De leerlingen hoeven dus in principe thuis niet meer aan het huiswerk, alleen nog aan het leerwerk.’ ‘We bieden ze structuur en helpen ze om binnen de vrije ruimte de goede keuzes te maken’, vat Ellen samen, ‘en gaandeweg worden ze in die twee jaar steeds zelfstandiger. Dat leidt tot mooie dingen. Zo wilden ze dolgraag met de klas op kamp. Via microkrediet hebben ze dat toen zelf weten te financieren.’

Kleinschaligheid is een groot voordeel

Ellen: ‘Bij de dingen die we doen, is onze kleinschaligheid een groot voordeel. Docenten komen elkaar tegen in de gang en zeggen: “Net was hij aan het huilen, let jij even op hem als je hem straks in de klas hebt?” Als je klein, blind of doof bent of een andere beperking hebt, dan plaatsen we je niet een aparte klas, maar is het vanzelfsprekend dat je gewoon meedraait. Verder spreken we kinderen aan op naam. Heel belangrijk, juist in de puberfase waarin ze zich afzetten. Wat overigens ook helpt, is de mindset van de leerkrachten.’ Chantal noemt als voorbeeld: ‘Zo zit er een jongen op school die vreselijk ongemotiveerd is. In plaats van hem keer op keer vermanend toe te spreken over z’n werkhouding, gaat de mentor in gesprek om te achterhalen wat hij nodig heeft en of hij zelf ideeën heeft voor een mogelijke oplossing. En zo is alles wat we hier doen gericht op het passend maken van ons onderwijs voor elke leerling. We maken uitzonderingen als het nodig is en zijn er belemmeringen, dan lossen we die op.’

Wat geldt voor de leerling, geldt ook voor de leerkracht

Ellen: ‘Ik realiseer me goed dat passend onderwijs geven niet altijd makkelijk is voor de docenten. Dus wat we leerlingen vragen, vragen we ook aan leerkrachten: Waarmee kunnen we je ondersteunen of heb je goede voorbeelden die je kan delen met collega’s? En soms is je verhaal doen en weten dat je er niet alleen voor staat al voldoende.’